Op de een of andere manier zaten de woorden van Asscher die ik gisteren in de krant las me niet helemaal lekker. ‘Ik ben niet bang voor robotisering, als iedereen er maar van profiteert.’

Dat is een opmerking die je niet kan betrappen op enige latente diepgang. Asscher stelt dat Nederland niet een eiland moet blijven in een gerobotiseerd Europa. Dat niet alleen de robotbezitters en de constructeurs er aan moeten verdienen, maar ook de man achter de robot, de zwoeger op de werkvloer, en we uit moeten kijken voor een nog grotere verdeling tussen arm en rijk. Klinkt logisch, maar dat neemt niet weg dat naar mijn gevoel Asscher met deze analyse volledig de plank misslaat.

Is profiteren de juiste maat om het nut van robotisering mee af te meten?
Is een Nederland waar iedereen optimaal van robotisering geniet een mooi, een keihard bloeiend Nederland?
Een technocratisch stukje Europa dat met de tijd mee borstcrawlt en hele generaties excellente, liefst gelijkwaardige profiteurs voortbrengt?
Dat mensen klaarstoomt robots te bedienen dan wel af te leveren terwijl ze systematisch wordt afgeleerd zich af te vragen wat het doel van deze hersenloze werkkracht is?

Zal er door deze specifieke technische vooruitgang meer nagedacht worden? Zal de kenniseconomie herleven? Zal de mens uit zijn grot wakker worden om het gerobotiseerde licht tegemoet te gaan? Is dit het begin van het trans humane tijdperk en is de mens straks nog een nuttelozer vehicle dan hij nu van nature al is?

Asscher ligt er niet van wakker. Zolang iedereen maar in gelijke mate profiteert gelooft hij dat we niet achterblijven, want achterblijven is zinken. En zal het socialistische lampje op zijn nachtkastje warm blijven schijnen.

Bron NRC

Fotografie: Wiebren Altena van De Blauwe Spreeuw